De kracht van bijvoeglijke naamwoorden

Van droge feiten naar beleving op het podium

Veel sprekers vertellen wat er gebeurde. Welke keuze ze maakten. Wat het resultaat was. De inhoud klopt, maar toch blijft het vaak bij informatie. Het verschil tussen een presentatie en een verhaal zit vaak al in iets kleins: bijvoeglijke naamwoorden.

“Ons team werkte aan een project met een deadline.”

Versus:

“Ons team werkte aan een ambitieus project met een krappe deadline.”

In de tweede zin voelt je publiek meteen de druk. Ze zien het voor zich. Je maakt van een feit een scène.

Als spreker wil je vooral één ding activeren: de verbeelding van je publiek. Met het toevoegen van bijvoeglijke naamwoorden maak je van feiten beelden. Je voegt emotie toe, zonder je verhaal groter te maken dan het is.

Een aantal richtlijnen die je kunt gebruiken:

  • Kies specifiek in plaats van vaag (niet ‘leuk’, maar ‘confronterend’ of ‘spannend’).

  • Gebruik ze vooral bij belangrijke momenten in je verhaal.

  • Laat ze passen bij wie jij bent en wat je echt hebt ervaren.

  • Overdrijf niet!

  • Vraag jezelf steeds af: wat moet mijn publiek hier voelen?

In onze Workshop Storytelling werken we precies met dit soort verfijning. Je leert hoe je jouw verhaal zo vertelt dat mensen het niet alleen begrijpen, maar ook daadwerkelijk gaan beleven. Hoe je spreekt in beelden in plaats van opsommingen van feiten.

Want soms maakt één subtiel verschil van een goede presentatie een verhaal dat mensen bijblijft.
— Lindy Bremer
Vorige
Vorige

Wist je dat onze hersenen zijn ingesteld op onthouden van verhalen?

Volgende
Volgende

5 praktische tips om te werken aan jouw storytelling